Haantje de voorste

“KUKELEKUUUU”

Huh? Ik til mijn hoofd op van mijn kussen. Volgens de wekker is het vijf uur. Ik lig bij B. in bed. En ik hoorde een haan. We horen wel vaker een haan. Hij woont tenslotte in een plattelandsdorpje. Een van de buren verderop in de straat heeft zo’n beest. Ik heb er nooit echt last van gelukkig. Maar dit klonk wel wat dichterbij dan anders. Ik voel me gebroken nu ik zo abrupt uit mijn slaap gewekt word.

B. is ook wakker. Nogmaals klinkt het: “KUKELEKUUUU”.
“Wat is dit? Zit die haan hier vlakbij ofzo?” zeg ik.
B. vloekt. Hij stapt uit bed en kijkt uit het raam. Niks te zien. Maar goed, het is ook nog niet licht. Weer begint de haan te kraaien. B. kijkt de andere kant op. “Verdomd,” zegt hij verbaasd. “Hij zit bovenop je auto.”
Ik begin te lachen. “Dat meen je niet.” Ik ga naast hem staan om te kijken. En ja hoor, ik zie inderdaad onder de carport een schimmige haan op mijn auto zitten. Nu is dat op zich niet zo erg, maar wel als de auto met desbetreffende haan slechts drie meter van je slaapkamerraam verwijderd is.
Hij kraait weer.
“Jezus,” zeg ik. “Ik jaag hem wel weg. Ik moet toch plassen.”

Ik ga naar de badkamer om te plassen, om daarna naar buiten te gaan. Als ik klaar ben, moet B. ook. Ik bedenk me dat ik vanuit het badkamerraampje vast wat beter kan zien hoe de situatie is. B. plast. Ik ga op de rand van het bad staan om het raampje open te klappen. Daar zit de Haan from Hell. Ik moet er eigenlijk ook wel om lachen. Wat een stom gezicht. En hoe komt dat beest daar?
“Hij is vast weggewaaid door de storm,” aldus B.
“Zou het…?” Een haan waait toch niet zo maar weg? “Straks maakt ‘ie allemaal krassen op m’n auto. Of poept ie op het dak.”
B. staat inmiddels naast me. Samen kijken we naar de haan.
“Boe,” zegt B. tegen ’t beest. Maar die wordt daar natuurlijk niet warm of koud van.
“Kijk dan! Hij kijkt gewoon terug naar ons!” zeg ik lachend.
“Nou, hij is nu in elk geval wel stil.”
We gniffelen.
“Misschien moeten we Netflix voor hem opzetten. Kan ‘ie daarnaar kijken,” zegt B. “Dan blijft hij ook wel stil.”
We lachen.
Het is wel vreemd dat dat beest nu al zo’n lawaai maakt. Het is nog donker. Maar hij zit wel bij de buitenlamp. En nu wil het toeval dat een van de buren een tijdje terug vertelde over een haan die al kraaide als de lamp in de woonkamer aanging. Zul je net zien dat dat deze haan is.
“Oh!” zegt B. “Dan doen we gewoon de buitenlamp uit!”
“Zou dat helpen?”
“Ja hoor.”
B. doet de buitenlamp uit en we gaan weer in bed liggen. De haan houdt zich stil.
We liggen weer lekker tegen elkaar aan. Ik wil graag weer verder slapen, maar moet toch weer lachen om het beeld op mijn netvlies van die haan op de auto, en dat hij dan ook nog eens Netflix kijkt.
Ik lig nog een tijdje wakker, maar val uiteindelijk toch weer in slaap.

Maar doorslapen was natuurlijk te mooi om waar te zijn.

Kwart voor zeven.
“KUKELEKUUUUUUUUU”
“Godver,” zegt B.
Nu komt het natuurlijk gewoon doordat het licht aan het worden is. Maar B. had liever nog een half uurtje geslapen tot de wekker ging. En ik was eigenlijk ook niet van plan om voor kwart voor acht op te staan. Maar ja. Die Haan from Hell…

B. kijkt weer uit het raam. Hij zit nog steeds op de auto. En heeft nu inderdaad op het dak gepoept.
Resoluut trekt B. zijn kleren aan. Nu toch maar naar buiten om hem weg te jagen. Ik ga voor het raam staan om het schouwspel gade te slaan. Iets later zie ik B. met een bezem de haan een zetje geven. Hij fladdert, verontwaardid tokkend, van de auto af en landt bij de buurvrouw in de tuin. B. komt weer naar binnen en kruipt weer bij me in bed.

“KUKELEKUUUUU”
“Nu zit hij in de tuin,” zeg ik. “Zo mogelijk nog dichterbij dan toen hij nog op de auto zat.” Ik gniffel.
“Oh ja,” zegt B. beteuterd. “Naja. ’t Is ook een stom beest. Sta ik daar ‘boe, boe’ te zeggen en hij gaat niet eens weg. Toen heb ik de bezem maar gepakt.”
Ik kijk hem aan. “Je zei echt ‘boe’ tegen de haan?”
“Ja.”
Ik begin te lachen.
“En je dacht dat hij daardoor weg zou gaan?”
“Euh. Ja.”
Ik lig inmiddels krom van het lachen in bed. “Alsof een haan onder de indruk is als jij ‘boe’ zegt,” hik ik.
“Weet jij dan wel het geldende protocol om een haan te verjagen?”
“In je handen klappen ofzo, hem een duw geven, of hem oppakken en ergens anders neerzetten.”
“In je handen klappen. Alsof dat wel werkt.”
“Nou, beter dan ‘boe’.” Inmiddels huil ik van het lachen.
B. lacht mee, maar is toch ook een beetje verontwaardigd. “Het is wel gelukt met de bezem anders. Jij zou hem vannacht al wegjagen, maar dat heb je niet gedaan.”
“Nee, omdat jij zei dat het wel zou helpen als we het licht uit deden.”
“Ja, en dat hielp toch.”
“Ja, maar nu zit ‘ie in de tuin.”
Gelukkig horen we hem al kukeleku’end steeds verder weg gaan. Vermoedelijk op weg naar zijn vertrouwde stekkie. Dus de bezem heeft inderdaad ook prima gewerkt.

2 thoughts on “Haantje de voorste

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *