Lepelen

We liggen samen in bed.
“Kom, we gaan lepelen,” zegt vriendlief.
“Jij altijd met je lepelen,” zeg ik quasi-geïrriteerd. Maar met alle plezier draai ik me om en ga ik met mijn rug tegen hem aanliggen. Hij slaat zijn armen om me heen. Lekker warm.
“Vind ik gewoon fijn,” zegt hij.
“Ik ook!” zeg ik.
Zo liggen we knus tegen elkaar.
Hij geeft me een kusje in mijn nek.
Ik glimlach.
“Stom woord eigenlijk. ‘Lepelen.'” zeg ik dan.
“Dat komt omdat we als lepeltjes tegen elkaar liggen,” zegt hij.
“Dat weet ik ook wel, dat het daarom zo heet,” zeg ik. “Maar het klinkt gewoon maf.”
“Hmm.” klinkt het achter me.
Ik denk even na.
“Je zou het ook ‘vorken’ kunnen noemen.”
“Nee,” zegt vriendlief. “Dat klinkt ook niet leuk.”
“Maar vorken liggen ook zo tegen elkaar, net als lepels.”
“Ja, maar vorken… Dat klinkt een beetje te agressief.”
“Dat valt wel mee toch,” zeg ik.
“Met een vork prik je, met een lepel schep je,” zegt hij, alsof dat alles verklaart.
Ik moet lachen.
“Het klinkt leuker dat ik je lepel dan dat ik je vork. Dat is raar. Ik ben toch geen vorkheftruck.”
Ik lach nog harder.
“Maar een vorkheftruck heeft wel lepels!” lacht vriendlief.
Ik heb inmiddels de slappe lach. “Niet waar!”
“Ja, echt! Die twee dingen, die heten lepels!”
“Ik geloof er niks van. Dat is toch hartstikke onlogisch,” zeg ik al lachend. “Het ziet eruit als een vork!”
“Toch is het zo.”
“Dan moet het toch een lepelheftruck heten.”
We lachen allebei.

Wat kunnen in de middernachtelijke uren soms toch vreemde gesprekken ontstaan.

One thought on “Lepelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *